Wanneer geloof geen vorm meer heeft

Gepubliceerd op 4 januari 2026 om 15:48

en verbinding belangrijker wordt dan gelijk

 

Geloof is iets dat me al heel mijn leven vergezelt. Soms op de voorgrond, soms sluimerend op de achtergrond, maar nooit helemaal weg. Wat is geloof eigenlijk? Volgens het woordenboek gaat het over vertrouwen en overtuiging. Vaak religieus ingevuld, maar even vaak daarbuiten: geloven in woorden, in ideeën, in verklaringen waarvoor geen sluitend bewijs bestaat. Geloof kan een kerk zijn, een levensbeschouwing, maar evengoed een innerlijk kompas.

Wat me doorheen de jaren steeds meer begon te raken, is hoe geloof zo vaak wordt ingezet om verschillen te benadrukken. Alsof het ons eerder uit elkaar trekt dan verbindt.

Ik ben christelijk opgevoed. Als kind nam ik dat vanzelfsprekend mee, maar al vrij vroeg voelde ik een spanning. Niet zozeer met het idee van geloof zelf, maar met de vorm waarin het gegoten werd. Dogma’s, vaste overtuigingen, regels over hoe je moet denken, bidden en geloven — het voelde alsof er iets van buitenaf werd opgelegd dat niet altijd samenviel met wat ik vanbinnen ervaarde. Alsof geloof iets werd dat je moest volgen, eerder dan iets wat van binnenuit mocht groeien.

In mijn tienerjaren heb ik daarom geloof radicaal afgewezen. Ik trok een duidelijke lijn: ik zou alleen nog geloven in wat verklaarbaar was. Wetenschap werd mijn houvast. Ze gaf structuur, logica en zekerheid. Lange tijd voelde dat stevig. Maar hoe ouder ik werd, hoe duidelijker ik merkte dat er iets ontbrak. Wetenschap kon veel uitleggen, maar niet alles dragen. Ze kon processen beschrijven, maar geen betekenis geven. Ze liet vragen open die steeds luider werden: waarom zijn we hier, wat verbindt ons, wat maakt dat het leven ertoe doet?

Dat was het begin van mijn zoektocht.

Eerst kwam ik terecht bij het spirituele. Dat boeide me, maar zoals ik het ervaarde werd het vaak te zweverig. Voor iemand die sterk in natuurwetten gelooft, bracht dat bij mij al snel innerlijk conflict. Dus zocht ik verder.

Het boeddhisme bood een tijdlang rust. Het sprak over lijden, over bewustzijn, over verantwoordelijkheid voor je innerlijke wereld. Het idee dat verlichting mogelijk is zonder een schepper-god, via inzicht en ethisch leven, raakte iets in mij. Toch bleef ik haken aan één kernpunt: het loslaten, of zelfs uitbannen van verlangen. Voor mij voelde dat niet juist. Verlangen is voor mij geen fout in het systeem, maar een drijvende kracht. Het is wat ons in beweging zet, wat ons richting geeft. Niet elk verlangen is zuiver, dat klopt. Maar misschien gaat het niet om het uitschakelen ervan, maar om het bewust kiezen: verlangens die niet alleen het individu dienen, maar ook het grotere geheel.

Van daaruit begon ik breder te kijken. Naar het jodendom, waar het leven zelf centraal staat als oefenpad, met verantwoordelijkheid voor de wereld en de ander. Niet gericht op verlichting, maar op handelen, op herstellen wat gebroken is. Het christendom is daar historisch uit ontstaan, maar zoals ik het later leerde kennen, voelde het voor mij vaak te ver verwijderd van die kern. In veel vormen lag de nadruk meer op geloofsbelijdenis en gehoorzaamheid dan op innerlijke groei en verbinding.

Ook het hindoeïsme kwam op mijn pad. De veelheid aan goden — of beter gezegd, de vele gezichten van het goddelijke — heeft iets moois. Voor elk aspect van het leven bestaat een verhaal, een symbool. Toch bleef het voor mij te ver afstaan van mijn eigen ervaring. Te groots, te complex, te ver buiten mezelf geplaatst.

Wat al die ontmoetingen me wel brachten, was begrip. Begrip voor hoe mensen zoeken. Hoe ieder van ons houvast probeert te vinden in wat het dichtst bij zijn of haar innerlijke ligt. En hoe oprecht die zoektocht meestal is.

Mijn weg bracht me uiteindelijk bij oude natuurtradities, vaak samengebracht onder wat men vandaag wicca of heksendom noemt. Tradities die leven in ritme met de natuur, met de seizoenen en de cycli van het leven. Waar energie geen abstract begrip is, maar iets dat gevoeld en beleefd wordt. Waar respect voor mens en natuur centraal staat, en waar een eenvoudig maar krachtig ethisch principe geldt: doe wat je wil, zolang het niemand schaadt.

Dat raakte iets fundamenteels in mij. De jaarfeesten, het meebewegen met de natuur, het ontbreken van strikte verplichtingen — het voelde als een geloof dat niet boven de mens stond, maar naast hem liep. Van alles wat ik onderzocht had, kwam dit misschien het dichtst bij mijn gevoel.

En toch.

Ook hier bleef iets wringen. Net als in andere levensbeschouwingen waarin ik me verdiepte, zoals het sjamanisme. Hier herkende ik opnieuw mooie waarden, heldere ethiek, en een oprechte zoektocht naar waarheid. Maar weer botste ik op hetzelfde punt. Het idee van inwijding. Het idee dat er een pad is dat je moet volgen. Dat er voorwaarden zijn. Inwijdingen. Regels. Een juiste manier van leven, denken of zijn om “het” te mogen bereiken.Van toegang die verdiend moet worden. Van een bepaalde status, geboorte of ceremonie die bepaalt of je “ver genoeg” bent, of waardig genoeg bent om het wezenlijke te mogen aanraken.

Alsof waarheid, inzicht of verbinding alleen toegankelijk is voor wie aan bepaalde criteria voldoet.

En daar, precies daar, valt voor mij elk geloof uiteen.

Want op het moment dat een overtuiging suggereert dat niet iedereen toegang heeft tot betekenis, tot inzicht, tot het heilige — dan verliest het zijn grond. Dan wordt geloof geen bedding meer, maar een poort met wachters. Dan verschuift het van verbinding naar selectie.

Heb ik een geloof?
Ja. Zonder twijfel.

Maar geen enkel bestaand geloof kan het mijne volledig omvatten. En misschien hoeft dat ook niet. Misschien is geloof geen systeem dat ons moet vormen, maar een innerlijk weten dat ons herinnert. Niet aan wat ons onderscheidt, maar aan wat ons verbindt.

Voor mij is geloof geen antwoord dat vastligt.
Geen pad dat je moet verdienen.
Geen inwijding die je waardig maakt.

Geloof is voor mij dat stille besef
dat niemand buitengesloten is
van wat ons mens maakt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.